Ace in the Hole (1951)

Ace in the Hole (1951) van Billy Wilder gaat over beroemdheid en media. Kirk Douglas is de cynische journalist Charles Tatum met als lijfspreuk Bad news sells best. Cause good news is no news. Krachtig voorspelt de film de macht van de media en de manipulatie. Omdat het echte publiek echter afhaakte werd dit slechte nieuws geen succes.

Ace in the Hole vertelt over een man die klem zit in een gat. De troef die door de journalist opgeofferd wordt. Het doet denken aan het meisje Omayra Sánchez dat in 1985 na een vulkaanuitbarsting klem komt te zitten in een put. En onder grote mediabelangstelling sterft. Het verhaal van de film is gebaseerd op voorvallen rond Floyd Collins (1925) en Kathy Fiscus (1949) die beiden het leven laten tijdens de reddingsoperatie.

De foto van Kathy Fiscus’ reddingspoging toont dat de film meer overeenkomt met de werkelijkheid dan we dachten. Of hoopten.

Foto 1: Kirk Douglas als Charles Tatum en Porter Hall als Jacob Q. Boot in Ace in the Hole

Foto 2: Poster van Ace in the Hole met Kirk Douglas

Foto 3: Reddingswerkers proberen Kathy Fiscus te bereiken die in een put viel, 1949. Credit: Image courtesy Bill Deverell

Seul ce soir

Tijdens de bezetting gaven songs hoop. Zoals in Frankrijk het melancholische Seul ce soir dat door Léo Marjane gezongen en Charles Trenet geschreven werd. Waar waren de krijgsgevangen mannen?

Je suis seule ce soir
Avec mes rêves,
Je suis seule ce soir
Sans ton amour.
Le jour tombe, ma joie s’achève,
Tout se brise dans mon cœur lourd.
Je suis seule ce soir
Avec ma peine
J’ai perdu l’espoir
De ton retour,
Et pourtant je t’aime encor’ et pour toujours
Ne me laisse pas seul sans ton amour.

Tussen de Duitse en Amerikaanse amusentsindustrie van die jaren zijn overeenkomsten. Ze versterkten zich met buitenlandse talenten. Van Zarah Leander, Kristina Söderbaum, Rosita Serrano, Lilian Harvey, Johan Heesters of Ilse Werner tot Fritz Lang, Billy Wilder of Marlene Dietrich. De laatsten gingen naar Hollywood. De Duitsers maakten in bezet gebied gebruik van lokale talenten. Zoals Léo Marjane in Parijs. Na de oorlog was haar ster verbleekt. Tijdens de oorlog werd dat anders ervaren.

De Duitsers trokken Belgische dansorkesten aan als Fud Candrix, Jean Omer of Stan Brenders en het Nederlandse Orchester Ernst van ’t Hoff. In de eerste oorlogsjaren was de Duitse economie booming. Waarom deze orkesten zo goed waren is een raadsel. Wisten ze de gouden middenweg te vinden tussen het Amerikaanse voorbeeld en de op de maat spelende Duitse Telefunken-dansmuziek?

Foto: Parijs tijdens de bezetting, André Zucca