Earl Bostic (1913-1965): Heavy op altsax

In de jaren ’70 kocht ik op het Waterlooplein een 78-toerenplaat met dit nummer. En op de andere kant Sweet Lorraine. Ik kende vaag de naam van de uitvoerder en kon mijn oren niet geloven toen ik thuis de plaat speelde. Met op vibes Gene Redd. De Wikipedia-pagina over Earl Bostic is of gekaapt door zijn nabestaanden of het vertelt de waarheid. Namelijk dat Bostic de technisch meest begaafde altsaxofonist was die zelfs die andere meester op alt Charlie ‘Bird’ Parker de baas was. Zou het echt?

EB

Het doet Earl Bostic (1913-1965) hoe dan ook tekort om hem de scheurende sax van de R&B te noemen die ruw huilebalk (cry-baby) songs speelt. Midden in de traditie staand verbindt hij Sidney Bechet met John Coltrane. Maar het is lastig oordelen want hij zette zijn ultieme technische kunnen nooit op de plaat. Tegen die andere alt Lou Donaldson zei hij: ‘Don’t play anything you can play good on a record, because people will copy it.’ Grootspraak? In elk geval jammer. Daarom moeten we het doen met Earl Bostic zoals hij niet is. Maar da’s goed genoeg.

Advertenties

Prisoner of Love (1946-1966)

Een van de eerste zwarte popsterren is bariton Billy Eckstine (1914-1993). Zijn carrière liep gelijk op met de opkomst van de bebop in de jaren ’40. Saxofonist Charlie Parker werd eind jaren ’40 ook een superstar met z’n strings die hem opsloten in de roem. Hoewel Mr. B en Bird nog steeds worden gewaardeerd als grote musici wordt de grootte van hun roem nu niet meer begrepen. Ze moesten in een Amerika dat mindere witte talenten meer kansen bood allebei vechten tegen vooroordelen.

James Brown heeft het mede dankzij Billy Eckstine 20 jaar later makkelijker. Allebei goede bandleiders. De tijden zijn veranderd. Brown zet ‘Prisoner of Love‘ naar z’n hand en boekt zijn eerste hit. Een song uit 1931 van Russ Columbo en Clarence Gaskill met tekst van Leo Robin. Gevangen door liefde. Of in de tijd. Hoe dan ook muziek die boeit.

02_05740904

Why should I be a lone soul
Why can’t I be my own soul
Alone from night to night you’ll find me
Too weak to break the chains that bind me
I need no shackles to remind me
I’m just a prisner of love
For one comand I stand and wait now

From one who’s master of my Fate now
I can’t escape for it’s too late now
I’m just a prisoner of love
What’s the good of my caring if someone is sharing
Those arms with me
Although she has another
I can’t have another
For I’m not free
She’s in my dreams awake or sleeping
Up on my knees to her I’m creeping
My very life is in her keeping
I’m just a prisoner of love. 
Love.

Picture 9

Foto 1: Martha Holmes, Billy Eckstine wordt onder veel hilariteit aangehaald door een fan na een concert, 1949.

Foto 2: Martha Holmes, Billy Eckstine met van links naar rechts ‘pianist Bobby Tucker, golf pro Charles Sifford, agent Mike Hall, road manager Bernie Ebbins, personal manager Milton Ebbins, Mr. B, magazine writer Hal Webman & press agent Frances Stillman who surround singer Billy Eckstine (3L) under Paramount theater marquee adorned w. Eckstine’s name and picture‘. New York, 1949  [toegeschreven: 1950].

Martha & The Vandellas: Nowhere To Run in Detroit

Martha & The Vandellas weten in 1965 niet waarheen te vluchten. Of zich te verbergen. Dus dansen ze in de openbaarheid. In een autofabriek in Detroit waar de Ford Mustang wordt gemaakt. De cabriolet met open kap rolt van de band. Motown Sound in Motor City. Bijna 50 jaar later allebei uit de tijd. Meer dan terloops wordt het productieproces getoond.

Martha_and_the_Vandellas_1965

Nowhere To Run wordt in 1965 het meest succesvolle nummer van Martha & The Vandellas. Geschreven door team Holland-Dozier-Holland dat tot 1967 volop hits voor het label Motown schrijft. Totdat een geschil daaraan een eind maakt. Vluchten kan niet meer. Liefde is onherroepelijk:

Nowhere to run, baby nowhere to hide
Got nowhere to run, baby nowhere to hide

I know you’re no good for me
But free of you, I’ll never be
How can I fight a lover that’s sugar sweet
When it’s so deep, so deep, deep inside of me

My love reaches so high, you can’t get over it
So wide, you can’t get around, no

4489989705_d7af1d2195_z

Leadzangeres Martha Reeves, Rosalind Ashford en Betty Kelley kleuren in 1965 roze. De soul houdt het simpel. Motown plakte op Detroit dat er nu aan schilfers bijhangt. Kleur is geschiedenis. En de Mustang? Die roept associaties op om afstand te nemen van Detroit. Al in 1965.

Foto 1: Foto uit Billboard van Martha & The Vandellas, 17 april 1965.

Foto 2: Marthe & The Vandellas, Hoes ‘Dance Party‘ met ‘Nowhere To Run‘. Tamla Motown LP.  1965.

Ed Townsend: For Your Love (1958)

Edward Benjamin ‘Ed’ Townsend zingt z’n eigen compositie ‘For Your Love‘. The Blossoms (Fanita Barret, Gloria Jones, Nanette Williams en Annette Williams) vullen de zang hemels in. Plas Johnson scheurt op tenorsax. Gerald Wilson arrangeert de funky ballad die kruist tussen Doo-Wop en R&B. Mei 1958. Ed Townsend treedt op 31 mei op in The Dick Clark Saturday Night Beechnut Show. Het zorgt voor nodige bekendheid.

More foolish I grow
With each heart beat
But we all get foolish
That’s why I repeat

For your love (ahh, ahh, ahh, ahh), oh, I would do anything (ahh, ahh, ahh, ahh)
I would do anything, fo-o-or your kiss

ET-Nice2

Ed Townsend bleef in de muziekindustrie werken als songwriter en producer. Met Marvin Gaye scoort-ie in de jaren ’70. `Let’s Get It On‘. In 1958 gaat het nog gewoon over liefde. Zoals vaak in de popmuziek. Over dwaasheid en opoffering. Over kloppende harten. Vol ritme. Rhythm.

Foto: Ed Townsend in 1958.

Church Bells May Ring: The Willows (1956)

Lead singer Tony Middleton en The Willows scoren in 1956 de hit ‘Church Bells May Ring‘. Een crossover van jazz, soul, R&B en Doo-Wop. Met een volop swingend orkest. En Neil Sedaka op chimes, klokkenspel, zo zegt de legende. De Canadese The Diamonds pikken het nummer op en brengen het nog hoger op de pop charts. Allerlei groepen coveren. The Willows profiteren er nauwelijks van. De tragiek van de muziekindustrie.

Ow-woh, ling a-ling a-ling,
A-ling a-ling, ding-dong,
(Ling, ling-dong.)
I love you, darlin’,
And I want you for my own.
(Ling, ling-dong.)
I’ll give you any-…
Anything that I own,
(Ling, ling-dong.)
You should have known,
Sweethea-ah-ah-art.

willows-2

In het Louis de Funès vehicle Nous irons à Deauville uit 1962 gaat Michel Serrault naar Deauville. Tony Middleton zingt als Tony Milton ‘Oh yeah ah ah!‘. Een slappe echo van de Church Bells. Hij woont begin jaren ’60 in Frankrijk. Want het leven gaat verder. Ook na een hit die er geen kon zijn, maar het uiteindelijk toch werd. Door de kwaliteit van de muziek.

Foto: The Willows in 1956.

The Supremes: I Hear A Symphony (1965)

The Supremes Florence Ballard, Mary Wilson en ‘leider’ Diana Ross zingen in 1965 hun nummer 1 hit I Hear a Symphony. Motown’s topteam Holland-Dozier-Holland schrijft het. Het optreden met strings in Hullabaloo van 18 oktober wekt de suggestie dat de muziek complex is dan ooit. En verwijst naar de titel. Maar het orkest speelt nauwelijks. De formule lijkt op het publiek van Where Did Our Love Go dat dient als opvulling. Het tweede optreden is in de Mike Douglas Show van 3 november 1965.

You’ve given me a true love
and every day I thank you love
For a feeling that’s so new
So inviting, so exciting

Whenever you’re near
I hear a symphony
A tender melody
Pulling me closer
Closer to your arms

Then suddenly, I hear a symphony
Ooh, your lips are touching mine
A feeling so divine
‘Till I leave the past behind
I’m lost in a world
Made for you and me

Whenever you’re near
I hear a symphony
Play sweet and tenderly
Every time your lips meet mine now baby

Leadzangeres Diana Ross wordt door fans verketterd omdat ze een kreng zou zijn. En Motown-baas Berry Gordy had versierd. Popsongs zingen kan ze. Billie Holiday is ze niet, maar Diana Ross voldoet. Hear.

Foto: Hoes I Hear A Symphony

Tragische held: Otis Redding

Otis Redding (1942-1967) is de King of Soul. Nog steeds. Een titel die hij deelt met James Brown en Sam Cooke. Op 10 december 1967 komt-ie om bij een vliegtuigongeluk in Lake Monona, Wisconsin. Samen met vier leden van zijn begeleidingsband de The Bar-Kays. De VS rouwt.

Otis schrijft de meeste nummers zelf, maar zijn My Girl is een bewerking van de nummer 1 hit van The Temptations uit 1965:

I’ve got sunshine on a cloudy day.
When it’s cold outside I’ve got the month of May.
I guess you’d say
What can make me feel this way?
My girl (my girl, my girl)
Talkin’ ‘bout my girl (my girl).

I’ve got so much honey the bees envy me.
I’ve got a sweeter song than the birds in the trees.
I guess you’d say
What can make me feel this way?
My girl (my girl, my girl)
Talkin’ ‘bout my girl (my girl).

Otis krachtige en open manier van zingen maakt de nummers door zijn passie geloofwaardig en hem tot een icoon. Zijn grootste hit (Sittin’ on) The Dock of The Bay komt uit na zijn dood en is de eerste postume nummer 1 hit. Otis vertolkt stijlvol de Memphis Soul van het label Stax. De beat van de drum is hard en door het ritme goed dansbaar. De elektriserende zwoelheid spreekt vooral de emotie aan. Royal Funk.

Tragische held: Sam Cooke

Sam Cooke (1931-1964) wordt geboren als Sam Cook. Zijn einde is tragisch. Doodgeschoten door Bertha Franklin, de manager van het Hacienda Motel. Details roepen nog steeds vragen op. Het eigen nummer ‘You Send Me‘ piekt in 1957. Het optreden twee jaar later in The Dick Clark Show is stijve playback met een mix van R&B, gospel en pop.

Darling you send me
I know you send me
Darling you send me
Honest you do, honest you do
Honest you do, whoa-oh-oh-oh-oh-oh

You thrill me
I know you, you, you thrill me
Darling you, you, you, you thrill me
Honest you do

Cookes belang voor de Soul kan niet overschat worden. Hij vindt het uit. De titel King of Soul past hem. Zwart en wit, oud en jong sprak-ie aan. Zijn dood markeert de opkomst van The Beatles. In 1963 klinkt het eigen nummer ‘Twisting the Night Away‘ in The Jerry Lewis Show. Met een swingend orkest krijgt Cooke de zaal plat. Nog een jaar te gaan.

Let me tell you ‘bout a place somewhere up a New York way
Where the people are so gay
Twisting the night away

Here they have a lot of fun putting trouble on the run
Man
You find the old and young twisting the night away

They’re twisting
Twisting
Everybody’s feeling great
They’re twisting
Twisting
They’re twisting the night away

Foto: Sam Cooke in The Ed Sullivan Show, waarschijnlijk 1 december 1957.

Little Darling: (1953-1957-1960)

De Rocky Fellers bestonden uit vier Philipijnse broers: Tony, Junior, Eddie en Albert Maligmat, en vader Doroteo ‘Moro’ Maligmat. De groep had in 1963 een hit met ‘Killer Joe‘. Rond 1965 was hun roem voorbij.

De Rocky Fellers zingen Little Darlin’ in de Dinah Shore Chevy Show in 1960. Behoorlijk ‘over the top‘. Ook The Diamonds uit Canada worstelen met de overgang van doo-wop naar rock. Via calypso.

Eye, yi-eye-eye-eye
Yi-eye-eye-eye
Ya-ya-ya-ahh

Little darlin’, oh, little darlin’
Oh-oh-oh where a-are you?
My love-a, I was wrong-a
To-oo try to lo-ove two
A-hoopa, a-hoopa, hoopa
Kno-ow well-a that my love-a
Wa-as just fo-or you, oh only you

My darlin’, I need you
To call my own and never do wrong
To hold in mine your little hand
I’ll know too soon that all is so grand
Please, hold my hand

De mooiste versie is van The Gladiolas, de latere The Zodiacs. Little Darlin’ wordt in 1953 geschreven door Maurice Williams. Ya-ya-ya-ahh.

Foto: The Rocky Fellers omstreeks 1963

The Ink Spots: Do I Worry? (1942)

The Ink Spots waren populair in de jaren ’30 en ’40. Wegbereiders van R&B, rock and roll en doo-wop. In de samenstelling Charles Fugua, Orville ‘Hoppy’ Jones, Bill Kenny en Ivory ‘Deek’ Watson zingen ze hun hit uit 1940 Do I Worry? van songwriters Stanley Cowan en Bobby Worth.

Do I worry ‘cause you’re stepping out?
Do I worry ‘cause you’ve got me in doubt?
Though your kisses aren’t right, do I give a bag of beans?
Do I stay home every night and read my magazines?

Am I frantic ‘cause we’ve lost the spark?
Is there panic when it starts turning dark?
And when evening shadows creep, do I loose any sleep over you?
Do I worry? You can bet your life I do

The Ink Spots treden op in Pardon My Sarong (1942). Een comedy met Bud Abbott en Lou Costello. Ze klinken langer na dan de komieken.

Foto: The Ink Spots zingen ‘Yankee Doodle Tan‘, omstreeks 1942